Contrast in ondersteuning
juni 2011
Momenteel leer ik mijn verstandelijk gehandicapte zoon van 12 om zelfstandig met het openbaar vervoer te kunnen reizen, omdat ik hem zo zelfstandig mogelijk door het leven wil laten gaan. Met tot nu toe veel succes zoek ik met hem de grenzen op die hij en ik telkens een beetje verleggen. Zo heeft hij mij al een paar keer op het juiste moment gebeld, want “ er komen geen trams” (manlief en ik waren de OV-staking vergeten) en “mijn OV chip ligt nog op school, ik kan niet de tram in”.
Maar vorige week liep het toch wat anders. Nadat ik wederom om 8.00 mijn grote held naar de halte had gebracht werd er om 8.15 gebeld, met zijn telefoon. “Bent u zijn moeder, de tram rijdt niet verder door een ongeluk, waar moet hij heen?” Heel vriendelijk bedoeld, absoluut. Mooier was echter geweest als hij mij had gebeld, en in zijn (slecht verstaanbare) taal had geprobeerd mij duidelijk te maken wat er aan de hand was. En eventueel had die behulpzame mevrouw het over kunnen nemen.
Zo gaat het vaak, we zien dat een ander ergens meezit, maar hebben dan de neiging het probleem op te lossen in plaats van de ander te begeleiden in het zelf vinden van een oplossing. Het directe probleem is opgelost, maar een volgende keer is de persoon in kwestie misschien nog niet in staat om het op te lossen.
Komende maandag ontvangen wij als spreker Lorraine Uhlaner die onderzoek heeft gedaan naar familiebedrijven. Zou de ondersteuning daar, aan aankomend management, gericht zijn op de oplossing of op zelfredzaamheid?
